Wil je het maximale uit je netwerk halen met glasvezel? Je leest hoe licht via totale interne reflectie door de vezel reist, wanneer je kiest voor singlemode (OS1/OS2) of multimode (OM3/OM4/OM5), en welke connectoren (SC/APC, LC, MPO/MTP) en golflengtes (1310/1490/1550 nm) het verschil maken. Met praktische tips over buigradius, trekbelasting, schoonhouden en optisch budget ga je voor een stabiele, supersnelle en toekomstbestendige verbinding thuis, op kantoor of in het datacenter.

Wat is een glasvezelkabel
Een glasvezelkabel is een datakabel die informatie verstuurt met licht in plaats van met elektrische signalen. In de kern van de kabel loopt een flinterdun glasdraadje (de core) omhuld door een tweede glaslaag (de cladding) die het licht door totale interne reflectie in de kern houdt, plus sterke beschermlagen tegen vocht, buigen en trekkracht. Zenders aan de ene kant zetten data om in lichtpulsjes (uit een laser of led), ontvangers aan de andere kant vertalen die weer naar digitale bits. Omdat het licht reist op onzichtbare golflengtes rond 1310-1550 nm, heb je weinig signaalverlies en extreem hoge capaciteit over grote afstanden. Voor jou betekent dat stabiel internet met veel hogere snelheden en lagere vertraging dan koper, minder storingen door elektromagnetische ruis en toekomstbestendige bandbreedte voor zaken als 4K/8K-streaming, cloudwerken en gaming.
In huis of kantoor zie je glasvezel vaak als FTTH: een vezel komt binnen op een glasvezelmodem (ONT) die het lichtsignaal omzet naar een netwerkaansluiting voor je router. Er bestaan varianten voor korte en lange afstanden (multimode en singlemode), maar het principe is hetzelfde: licht erin, data eruit, razendsnel en betrouwbaar. Doordat glasvezel dun, licht en goed te bundelen is, vormt het ook de ruggengraat van datacenters en mobiele netwerken. Kortom, een glasvezelkabel is de meest efficiënte en schaalbare manier om je data te vervoeren.
Hoe glasvezel data transporteert (licht en totale interne reflectie)
Glasvezel verstuurt je data als razendsnelle lichtpulsjes door een kern van ultrapuur glas. Die kern heeft een iets hogere brekingsindex dan de omliggende glaslaag (cladding), waardoor het licht door totale interne reflectie continu binnen de kern weerkaatst en dus bijna zonder verlies vooruitgaat, zelfs als de kabel bochten maakt binnen de toegestane buigradius. Een laser of led zet bits om in licht, vaak op golflengtes rond 1310, 1490 of 1550 nm.
Aan de andere kant zet een ontvanger het optische signaal terug naar elektrische data. Modulatietechnieken bepalen hoeveel informatie per seconde in het licht past, terwijl lage demping (dB/km) en beperkte dispersie zorgen dat pulsen scherp blijven. Schone, goed uitgelijnde connectoren beperken terugkaatsing; APC-connectoren verminderen reflectie extra, zodat je verbinding stabiel en snel blijft.
Opbouw: kern, cladding (mantel) en beschermlagen
Een glasvezelkabel is gelaagd opgebouwd zodat je lichtsignaal ongestoord kan reizen en de kabel tegen een stootje kan. In het midden zit de kern, een piepklein draadje van ultrapuur glas (bij singlemode ~9 µm, bij multimode 50/62,5 µm) waar het licht doorheen gaat. Direct eromheen zit de cladding, een glaslaag met net andere optische eigenschappen die het licht via totale interne reflectie in de kern houdt. Rond glas komen één of meer coatings van acrylate die het glas dempen tegen microbuigingen en vocht.
Afhankelijk van de kabel zie je daarna een bufferlaag (tight-buffered voor binnen, of loose-tube met buisjes en soms gel voor buiten), aramidegarens voor trekontlasting, en een buitenmantel. Binnen gebruik je vaak LSZH-mantel (rook- en halogeenvrij), buiten PE voor extra UV- en weerbestendigheid. Zo blijft je vezel beschermd, zelfs bij scherpe bochten binnen de opgegeven buigradius.
Golflengtes 1310/1490/1550 NM en impact op je verbinding
Glasvezel werkt met licht op specifieke golflengtes, uitgedrukt in nanometer (nm). In FTTH-verbindingen gebruikt je netwerk meestal 1310 nm voor upload, 1490 nm voor download en soms 1550 nm voor tv-overlays via hetzelfde vezeltje dankzij wavelength-division multiplexing, waarbij meerdere kleuren licht tegelijk reizen zonder elkaar te storen. Rond 1550 nm is de demping het laagst, waardoor je signaal verder kan zonder versterking, terwijl 1310 nm juist gunstig is voor lage dispersie, wat pulsen scherp houdt bij hoge snelheden.
Voor jou betekent dit stabiel internet met hoge doorvoersnelheden en voldoende reikwijdte tot aan de wijkcentrale. Nieuwere standaarden verschuiven de exacte golflengtes, maar het principe blijft: slimme verdeling van kleuren licht levert betrouwbare, snelle en toekomstbestendige capaciteit op één glasvezel.
[TIP] Tip: Vermijd scherpe bochten; houd buigradius minimaal 30 mm.

Soorten glasvezelkabels en connectoren
Als je naar glasvezelkabels kijkt, kies je grofweg tussen singlemode en multimode. Singlemode (9/125 µm, vaak aangeduid als OS1 voor binnen en OS2 voor buiten) is ideaal voor lange afstanden en hoogste snelheden; multimode (50/125 µm, OM3/OM4/OM5) past bij kortere trajecten in gebouwen en datacenters. Voor binnen kom je meestal tight-buffered kabels met LSZH-mantel tegen, voor buiten loose-tube met PE-mantel en extra bescherming tegen vocht en UV. FTTH-netwerken gebruiken vaak buigongevoelige vezels zoals G.657A1/A2, zodat je kabel strak kan worden gelegd zonder extra verlies.
Connectoren bepalen hoe je alles koppelt: SC/APC is de standaard bij glasvezel tot in huis vanwege de schuine polijsting die reflecties minimaliseert, SC/UPC kom je tegen bij systemen zonder hoge eisen aan terugkaatsing, en LC is de compacte favoriet in racks en switches. Voor hoge dichtheid en snelle uitrol gebruik je MPO/MTP-meervezelconnectoren met trunks en breakouts. Let op simplex of duplex, de juiste polish (APC of UPC), en houd connectoren brandschoon voor minimale demping en maximale stabiliteit.
Singlemode (OS1/OS2) vs multimode (OM3/OM4/OM5): wanneer kies je wat
Onderstaande tabel vergelijkt singlemode (OS1/OS2) en multimode (OM3/OM4/OM5) glasvezel.kabels op kern/golflengte, bereik/snelheid, kosten en aanbevolen inzet. Zo kies je snel het juiste type voor jouw traject en apparatuur.
| Type glasvezel | Kern & golflengte | Bereik & snelheid (typisch) | Kosten & wanneer kiezen |
|---|---|---|---|
| Singlemode OS1 (indoor) | Kern ~9 µm; 1310/1550 nm; tight-buffered; demping 1,0 dB/km | 1/10G tot ±10 km; 40/100G tot ~10 km met LR4-optics | Kabel goedkoop, optics duurder dan SR; kies voor indoor singlemode-backbones en campusverbindingen tot ca. 10 km |
| Singlemode OS2 (outdoor/long-reach) | Kern ~9 µm; 1310/1550/1625 nm; loose-tube; demping 0,4 dB/km | 10G 40+ km met ER; 40/100G 10-40 km (LR4/ER4); met DWDM/coherent veel verder | Kabel goedkoop, optics (LR/ER) duurder; kies voor buitenroutes, FTTH/backbone en toekomstvaste lange afstanden |
| Multimode OM3 | Kern 50 µm; 850 nm VCSEL; laser-geoptimaliseerd | 10G tot 300 m; 40/100G tot 100 m (parallel SR4) | Kabel duurder/dikker dan SM, SR-optics goedkoop; kies voor korte datacentertrunks en 10G-access |
| Multimode OM4 | Kern 50 µm; 850 nm; hogere bandbreedte dan OM3 | 10G tot ~400 m (tot 550 m mogelijk); 40/100G tot 150 m | Iets duurder dan OM3, SR-optics goedkoop; kies voor DC-backbone/upgrades met 40/100G tot 150 m |
| Multimode OM5 (WBMMF) | Kern 50 µm; 850-953 nm (SWDM-geschikt) | 10G 550 m; 40/100G 150 m (parallel); met SWDM 40/100G tot ~150 m over 2 vezels | Meest kostbaar; kies als je SWDM wilt toepassen en vezelparen wilt besparen in hoge-dichtheid DC’s |
Conclusie: singlemode (OS2) is de beste keuze voor lange of buitenroutes, terwijl multimode (OM4/OM5) ideaal is voor korte datacenterverbindingen met goedkope SR/SWDM-optics; OS1 dient vooral indoor singlemode-trajecten. Baseer je keuze op afstand, gewenste snelheid en beschikbare optische modules.
Kies singlemode (OS1/OS2) als je lange afstanden wilt overbruggen, hoge snelheden wilt schalen of gewoon futureproof wilt zijn. Singlemode werkt met een kleine kern en één lichtmodus, waardoor demping en dispersie minimaal zijn en je zonder moeite kilometers haalt, ideaal voor FTTH, campusverbindingen en backbone-links. Ga voor multimode (OM3/OM4/OM5) als je korte trajecten in een gebouw of datacenter wilt verbinden tegen lagere optiek-kosten; SR-transceivers zijn vaak goedkoper en bieden tot 10/25/40/100G over tientallen tot enkele honderden meters, afhankelijk van de kabelklasse.
Twijfel je? Hanteer een simpele vuistregel: boven roughly 300-500 meter of bij onzekere groeiplannen is singlemode de veilige keuze, binnen één ruimte of verdiepingskast is multimode vaak de meest betaalbare en praktische oplossing.
Binnen- en buitenkabels: tight-buffered, loose-tube en manteltypes
Binnen gebruik je meestal tight-buffered kabels: elke vezel heeft een stevige 900 µm buffer waardoor je makkelijk kunt strippen, termineren en patchen in racks of muurdozen. Voor buiten zijn loose-tube kabels beter: meerdere 250 µm vezels liggen vrij in buisjes met gel of droog waterblokkerend poeder, zodat ze temperatuurwisselingen en vocht beter aankunnen in leidingen of direct in de grond. De mantel bepaalt waar je kabel tegen kan: binnen kies je vaak LSZH, halogeenvrij met weinig rook voor veilige gebouwinstallaties en volgens CPR-brandklassen, buiten juist PE voor UV- en weersbestendigheid.
Heb je risico op knaagschade of ruwe aanleg, dan bieden aramidegarens voor trekontlasting en eventueel stalen of diëlektrische pantserlagen extra bescherming. Buigongevoelige vezels (zoals G.657) helpen bij krappe bochten zonder extra verlies.
Connectoren: SC/APC, SC/UPC, LC en MPO/MTP
SC is de klassieke 2,5 mm-connector die je veel ziet bij FTTH. Kies je voor SC/APC, dan krijg je een schuine polijsting (ca. 8°) die reflecties sterk verlaagt, ideaal voor passieve netwerken met splitters; SC/UPC heeft een vlakke polijsting en is prima waar terugkaatsing minder kritisch is. LC gebruikt een 1,25 mm ferrule en is compacter, waardoor je in racks en switches twee keer zoveel poorten kwijt kunt; vaak geleverd als duplex met een handig clipje.
MPO/MTP bundelt meerdere vezels (bijv. 12, 24 of 32) in één connector voor hoge dichtheid en snelle uitrol. Let bij MPO/MTP op pinnen (male/female) en polariteit, en houd al je ferrules brandschoon. Tip: match altijd de polish (APC of UPC) aan je apparatuur om verlies en reflectie te minimaliseren.
[TIP] Tip: Controleer glasvezel.kabel: singlemode of multimode én UPC/APC vooraf.

Toepassingen en prestaties
Glasvezel draait om hoge capaciteit, lage vertraging en betrouwbaarheid, en dat merk je in allerlei toepassingen. Thuis en kleinzakelijk levert FTTH via GPON of XGS-PON stabiele snelheden van 1 tot 10 Gbit/s met lage latency voor streaming, cloudwerken en gaming. In kantoren en campussen koppel je gebouwen kilometers ver zonder storingen door elektromagnetische ruis, terwijl in datacenters glasvezel de backbone is voor 10/25/40/100/400G-verbindingen met extreem hoge dichtheid en beschikbaarheid. Ook voor cameranetwerken, industriële automatisering en 5G backhaul is glasvezel ideaal door de combinatie van lange afstand, hoge bandbreedte en veilige, storingsvrije transmissie.
De prestaties hangen af van demping (dB) door kabel, lassen en connectoren, dispersie bij hoge snelheden, buigradius, en de kwaliteit van je optiek (SFP/QSFP). In PON-netwerken speelt ook de splitratio mee; meer splitsingen vragen een strakker optisch budget. Met schone connectoren, de juiste golflengtes (bijv. 1310/1490/1550 nm of DWDM) en goede kabelkeuze haal je zonder moeite lange afstanden met voorspelbare snelheden, lage jitter en hoge uptime.
Thuis en kleinzakelijk: FTTH, ONT en patchkabels
Bij FTTH (Fiber to the Home) komt de glasvezel tot in je meterkast, waar hij eindigt op een FTU of glasvezelcontactpunt. Daar prik je een korte glasvezel patchkabel in die je ONT verbindt; de ONT (Optical Network Terminal) zet het lichtsignaal om naar een gewone netwerkaansluiting. Vanaf de ONT gaat een UTP-patchkabel naar je router of firewall. Meestal gebruik je thuis een groene SC/APC-connector aan de glasvezelzijde; soms is het aan de ONT-kant LC.
Kies bij voorkeur buigongevoelige patchkabels en houd connectoren schoon om extra verlies te voorkomen. In een klein kantoor werkt dit identiek, alleen combineer je het vaak met een switch, VLAN’s en eventueel een betere router voor gastnetwerk en VoIP.
Netwerk en datacenter: backbone, trunk en breakout-kabels
In je netwerk en datacenter vormen backbone-verbindingen de ruggengraat tussen core-, aggregation- en edge-switches, vaak over langere afstanden en met redundante paden; hier kies je meestal singlemode OS2 voor laag verlies en schaalbaarheid. Trunk-kabels zijn voorgeconnectoriseerde MPO/MTP-bundels die je snel tussen patchpanelen of cassettes legt, ideaal voor hoge dichtheid en nette kabelvoering met voorspelbare demping.
Breakout-kabels zetten één MPO/MTP-poort om naar meerdere LC’s of naar meerdere MPO’s, zodat je bijvoorbeeld een QSFP28 100G kunt opsplitsen naar 4×25G of 400G naar 4×100G, zonder extra media. Let op polariteit (Type A/B/C), gender (male/female pinnen), het loss budget en de buigradius, en kies het juiste vezeltype (OM4/OM5 voor korte SR-links, OS2 voor lange LR/DWDM) om je performance maximaal te houden.
Prestaties in de praktijk: bereik, bandbreedte en demping (DB)
In de praktijk hangen bereik en bandbreedte af van je vezeltype, optiek en totale demping. Demping is het signaalverlies, uitgedrukt in dB; hoe lager, hoe beter. Singlemode OS2 heeft weinig verlies (ongeveer 0,35 dB/km op 1310 nm en 0,22 dB/km op 1550 nm), waardoor je tientallen kilometers kunt halen met de juiste transceivers. Multimode OM4 is gemaakt voor korte afstanden met hoge snelheden: 10G tot circa 400 meter en 100G SR4 tot zo’n 100 meter.
Elke koppeling telt mee: een las kost rond 0,05 dB, een connectorpaar 0,1-0,3 dB, en vieze ferrules zorgen voor extra verlies en reflectie. Dispersie vervaagt pulsen bij hogere snelheden, vooral op multimode; op singlemode speel je meer met de juiste golflengte en optiek. Houd je optisch budget scherp en je haalt stabiele, voorspelbare performance.
[TIP] Tip: Houd buigradius aan; te krap vermindert bandbreedte en verhoogt verliezen.

Kiezen, aanleggen en onderhouden
Begin bij wat je nodig hebt: afstand, snelheid en groei. Voor lange trajecten of als je toekomstvast wilt bouwen kies je singlemode OS2; voor korte links in één gebouw volstaat vaak multimode OM4/OM5. Heb je krappe bochten, ga dan voor buigongevoelige vezel (G.657A2). Binnen is een LSZH-mantel slim vanwege brandveiligheid, buiten kies je PE voor UV- en weerbestendigheid. Match je connectoren met je apparatuur: SC/APC is gangbaar bij FTTH, LC is de compacte standaard in racks; let op APC versus UPC om reflecties te vermijden. Bij aanleg plan je de route, bewaak de minimale buigradius en maximale trekbelasting, gebruik trekontlasting en laat wat speling (slack) in een patchpaneel of cassette.
Voorconnectoriseerde trunks versnellen de installatie, fusielassen zijn handig in het veld of bij maatwerk. Houd connectors brandschoon met een droge reiniger en zet altijd stofkapjes terug. Test na oplevering met een powermeter en, waar nodig, een OTDR (meet instrument dat reflecties en breuken lokaliseert) en documenteer je optisch budget. Voor onderhoud volstaan periodieke inspectie, schoonmaken en het bijwerken van labels. Los storingen pragmatisch op: eerst reinigen en zo nodig een patchkabel vervangen, daarna pas dieper zoeken naar micro- of macrobends. Met deze aanpak krijg je een stabiele, schaalbare verbinding die jarenlang meegaat.
De juiste keuze: afstand, omgeving, connector en manteltype
Begin bij de afstand: tot enkele honderden meters in een gebouw is multimode (OM4/OM5 met SR-optiek) vaak het voordeligst; ga je verder of wil je maximale schaalbaarheid, dan kies je singlemode OS2 met LR/DWDM-optiek. Kijk naar de omgeving: binnen ga je voor LSZH met een passende CPR-brandklasse (bijv. Dca of Cca), buiten of in de grond kies je PE met waterblokkering en bij risico op schade een knaagbestendige of gepantserde variant.
Stem je connector af op je apparatuur en reflectie-eisen: LC is compact in racks, SC/APC is gangbaar bij FTTH, en kies je APC als lage terugkaatsing cruciaal is, anders UPC. Let tot slot op simplex of duplex, buigongevoelige vezel (G.657A2) voor krappe bochten en dat alles in je optisch budget past.
Installatie en onderhoud: buigradius, trekbelasting, routing en reinigen van connectoren
Bij glasvezel begint goede installatie met de juiste buigradius: houd grofweg minimaal 10× de kabeldiameter aan in gebruik en 15-20× tijdens het trekken, voorkom knikken en klem de kabel niet plat met tie-wraps. Respecteer de trekbelasting, gebruik een trekhuls of de aramidegarens voor trekontlasting, smeer leidingen indien nodig en voorkom draaien. Plan je routing met rustige bochten, bescherm doorvoeren met doorvoertules, scheid glasvezel van stroomkabels, laat wat slack in een patchpaneel en label beide uiteinden.
Voor onderhoud draait alles om schone verbindingen: plaats altijd stofkapjes, reinig vóór elke koppeling beide zijden met een one-click cleaner of droge sticks en controleer bij twijfel met een inspectiemicroscoop. Blaas nooit met perslucht; stof en pluisjes verhogen demping en reflectie en veroorzaken instabiliteit.
Storingen oplossen: vuil, micro- en macrobends, lassen en koppelingen
De meeste glasvezelproblemen komen door vuil. Begin dus altijd met schoonmaken: verwijder stofkapjes, reinig beide connectoren met een one-click cleaner of droge sticks en steek ze opnieuw in; blaas nooit met perslucht. Helpt dat niet, inspecteer met een microscoop en vervang bij twijfel de patchkabel. Check daarna op micro- en macrobends: te krappe bochten, geknikte kabels of hard aangetrokken tie-wraps verhogen demping; leg de route losjes en herstel de minimale buigradius.
Kijk in lascassettes of lassen strak liggen en of de beschermhuls goed zit; een las hoort rond 0,05 dB te verliezen, anders opnieuw lassen. Controleer koppelingen en adapterbusjes op uitlijning en op APC/UPC-mismatch. Meet met een powermeter of VFL voor snelle checks en gebruik een OTDR om breuken of hoge verliezen exact te lokaliseren binnen je optisch budget.
Veelgestelde vragen over glasvezel.kabel
Wat is het belangrijkste om te weten over glasvezel.kabel?
Glasvezel.kabel transporteert data via licht en totale interne reflectie. Een vezel heeft kern, cladding en beschermmantel. Golflengtes 1310/1490/1550 nm bepalen bereik en demping. Kies singlemode (OS2) of multimode (OM3-OM5) passend bij afstand en bandbreedte.
Hoe begin je het beste met glasvezel.kabel?
Start met een site-survey: afstand, omgeving en bestaande apparatuur. Kies OS2 voor lange trajecten, OM3/OM4 voor kortere. Bepaal mantel (binnen/buiten), connectoren (SC/APC, LC, MPO). Plan buigradius, trekbelasting, en test met VFL/OTDR.
Wat zijn veelgemaakte fouten bij glasvezel.kabel?
Veelgemaakte fouten: connectoren niet reinigen, buigradius en trekbelasting overschrijden, singlemode/multimode of APC/UPC mixen, dempingsbudget negeren, slechte lassen/koppelingen, onjuiste mantel buiten, geen labelplan, en zonder certificeringstest (OTDR/power meter) opleveren.